Van oogst tot schoolbank

Gepubliceerd op 30 augustus 2025 om 02:00

1 september is de vaste start van het schooljaar. Voor kinderen betekent het een nieuwe boekentas, een andere pennenzak en nog wat nieuwe spulletjes. Maar tot anderhalve eeuw geleden zag de start van het schooljaar er heel anders uit. Het ritme van de lessen volgde niet de kalender, maar het werk op het veld, de kerkklok en de dorpskermis.

Tot in de 19e eeuw was het begin van het schooljaar afhankelijk van veldwerk en feesten, vaak met lege banken tijdens de oogst. In de dorpen waren de kinderen broodnodig op het veld. 

De graanoogst begon in juli en iets later moesten de aardappelen gerooid worden. Er zijn verslagen van schoolmeesters die in september klaagden dat de helft van de klas nog op het veld stond.

Pas als de aardappelen veilig binnen waren, vulden de banken zich weer. Sommige scholen lieten dit gewoon begaan, andere scholen “sloten” tijdens drukke landbouwperiodes. In de steden, waar kinderen minder landbouwtaken hadden, verliep de schoolgang doorgaans regelmatiger.

Niet alleen de oogst bepaalde de schoolkalender: ook de kermis speelde mee. In dorpen met een late kermis gebeurde het dat de school pas nadien heropende. Niemand van het dorp wou dat missen, ook de kinderen niet – en de schoolmeester al evenmin. Er zijn zelfs verhalen van meesters die na de kermis nog een paar dagen “ziek” waren, zodat de lessen nog wat langer op zich lieten wachten.

Het begin en einde van de lessen sloten vaak aan bij kerkelijke feestdagen. De start was soms na Maria-Hemelvaart (15 augustus) of na de plaatselijke dorpskermis. Het einde van het schooljaar was rond Sint-Jan (24 juni) of Sint-Pieter en -Paulus (29 juni). Voor sommige ouders speelde bovendien nog iets mee: het schoolgeld kon pas na de oogst betaald worden. En in arme gezinnen gebeurde dat soms niet in geld, maar in natura: een mand appelen, een zak aardappelen of wat brandhout voor de kachel in de klas.

In de 19e eeuw waren de boekentassen van hout: ze werden ‘schrijfkast’ genoemd. De inhoud bestond uit schrijfgerief: potlood, griffel en een lei. Wie geen lei had, kon op de achterkant van de schooltas schrijven. En in de pauze werd die lei vaak omgetoverd tot speelbord: met een stukje krijt tekenden kinderen er damborden of speellijnen op. Hier zie je een afbeelding van twee authentieke houten schooltassen uit de tweede helft van de 18e en eerste helft van de 19e eeuw. Het zijn klassieke “tasjes” in hout, ontworpen als opbergkastjes in de klas, niet om mee naar huis te nemen. Ze zijn vervaardigd uit verschillende houtsoorten (grenen, eiken, vuren), soms voorzien van initialen en decoratieve bewerking.

Met de wet op het lager onderwijs (1842) probeerde men voor het eerst een meer uniforme structuur te creëren. Toch bleef de landbouwpraktijk de realiteit bepalen. Pas in de 20e eeuw, met de invoering van de leerplicht en de groei van het moderne onderwijssysteem, werd het schooljaar definitief vastgelegd: 1 september als officiële start en 30 juni als einde.

Maar ook de eerste schooldag kende zijn tradities. In sommige dorpen namen kinderen een boeketje bloemen mee voor de juf: geplukt in de tuin of aan de veldrand. Het was tegelijk een begroeting en een soort “vredegeschenk” na de lange vakantie. Ondeugende jongens durfden wel eens een distel of brandnetel tussen de veldbloemen te steken. Er wordt verteld dat een juf in West-Vlaanderen daarom altijd eerst snel het boeketje inspecteerde voordat ze het aannam.

Zo groeide 1 september uit van een losse afspraak na de oogst en de kermis tot een vaste mijlpaal in het leven van elke Vlaamse scholier. En misschien is dat kleine bloemetje voor de juf nog het mooiste symbool van die overgang van veld naar klas.

 

 

Voor u gelezen uit:

Volkskunde in Limburg - Jules Frère

Lapjesproef voor drie zussen - Limburgs Volkskundig Genootschap

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.