Mei was van oudsher de maand van groei, vruchtbaarheid en bescherming. Geluid hoorde daarbij: bellen, hoorns en fluitjes verwelkomden het nieuwe seizoen en hielden het kwade op afstand.
In de eerste dagen van mei, wanneer de wilgen “in het sap staan”, maakten kinderen op het Vlaamse platteland kleine fluitjes uit jonge takken. Het meifluitje was eenvoudig, speels — en jammer genoeg maar van korte duur.
Het maken ervan was een klein ritueel. Een jonge wilgentak werd gezocht, de bast voorzichtig losgeklopt tot die in één stuk kon worden afgeschoven. Het binnenhout werd ingekort, de bast teruggeschoven. En daar was het: een fluitje met een heldere, zachte toon.
Met hun fluitje trokken kinderen door de velden, begeleidden kleine meistoeten of hielpen bij het versieren van een meiboom. Vandaag is het gebruik zo goed als verdwenen, maar het roept nog altijd herinneringen op: natte handen van wilgensap, de geur van de lente, en het plezier van iets zelf te maken.
Vanaf de jaren 1950 ging het snel achteruit. Het landschap veranderde, wilgenrijen verdwenen en goedkoop speelgoed nam het over. Ook de kennis van het maken van fluitjes werd steeds minder doorgegeven.
Het mei-zingen — de lente aan de deur
Mei-zingen was een gebruik waarbij kinderen en jongeren in de eerste meidagen van deur tot deur trokken om de lente toe te zingen. Met eenvoudige liederen wensten ze bewoners een goede meimaand, vaak in ruil voor een kleine gift.
In de Kempen, rond Geel, Herentals en Mol, zijn er nog sporen van deze traditie. Soms wordt ze opnieuw opgenomen door scholen of erfgoedverenigingen. In Zele leeft het gebruik zelfs nog vrij sterk: daar trekken groepen op 30 april zingend door de straten tot in de vroege uurtjes.
De liederen waren eenvoudig en ritmisch, met refreinen die bleven hangen. Het ging niet om zangkunst, maar om het gebaar: het aankondigen van de lente, van huis tot huis.
Samen met zingen kwam er nog een gebruik voor : het mei-halen of mei-zetten. De jongeren kondigden met hun liederen aan dat ze een mei kwamen zetten, of ze zongen nadat ze de tak hadden achtergelaten. Op 1 mei of reeds in de nacht van 30 april brachten jongeren een tak, krans of bundel groen aan boven de voordeur van een huis.
In Limburg bleven de jongens tot rond middernacht samen in de ‘uchterhuizen’ (klein dorpscafé). Daarna trokken ze eropuit om hun mei te steken boven de deur van hun meisje. Maar ook andere huwbare meisjes konden een tak verwachten. Soms schreven ze er het een of ander versie bij, ook wel iets ondeugends zoals : Hier heb ge een dorre, daar kunt ge op knorre ! Een dorre tak beduidde dat het meisje geen lief kon krijgen.
Zo’n mei was nooit zomaar gekozen. Een berk stond voor goedheid, een den voor standvastige liefde. Maar een kersentak wees op wispelturigheid, een hagedoorn op stekeligheid. En een bosje peterselie… dat was een grote belediging.
Op 1 mei stonden de meisjes vroeg op, benieuwd naar wat hen te beurt was gevallen. De kwetsende mei belandde niet zelden op het dak, zodat de oude vrijster of de klapei hem moeilijk zelf kon wegnemen.
Ook elders kende men varianten. In Zussen verschenen mannetjes op huisgevels met schimpspreuken. In Borgloon trok men met kalk of zand een “tram” tussen huizen van gekende overspelige personen.
Een bijzonder gebruik was de bierschool in Eisden, op 1 mei, bij Sint-Marcoen. De oudste leerlingen zamelden geld in voor een geschenk en een mei voor de meester. Na de mis werd die in stoet naar de school gedragen Er werd gezongen van “Lang zal hij leven…”. Daar hoorde natuurlijk een traktatie bij.
De meester schonk bier en deelde koekjes uit — en het laat zich raden waar de meeste aandacht naartoe ging. Zo werd ook daar de lente ingezet: met een lied, een tak groen… en een glas dat zelden lang leeg bleef — want sommige tradities laten zich nu eenmaal vlotter bewaren dan andere.
Reactie plaatsen
Reacties